Matroos aan boord van de VOC

Wat een hard leven aan boord. Ja, verschrikkelijk! Allemaal ziektes. Scheurbuik, difterie, pest, pokken. Gevaren ook. Vechtpartijen, orkanen, inboorlingen, muiters, kapers, piraten, ratten. En we slapen in een kleine kooi. Altijd keihard werken hier. In weer en wind. Krijg je een katrol op je kop, moet je je kop laten uitdeuken met zo'n speciaal uitdeukapparaat. Of je valt overboord of je verzuipt of je wordt verkocht als slaaf. Het eten is altijd op. En als het niet op is, is het niet te pruimen. Het is echt verschrikkelijk hier! Er is een leven en dat is nog erger. Wat is er nog erger? Leven aan land! Zo! Dat is erg! Leven aan land, dat is echt armoede. Geen eten, geen werk, niks. Nee, slepende ziektes. Ja. Geen dokter te bekennen. En hebben wij hier tenminste een chirurgijn aan boord. Wij hebben verse kippensoep, als we ziek worden. Wij mogen handelen met producten uit Indië. Uit ons eigen kissie! Wij kunnen dus van EEN jaarloon een herberg kopen. Wij boffen maar dat we matroos bij de VOC benne! Wij soort jongens hebben het hartstikke goed bij de VOC. Ja. Dan neem je toch gewoon die ellende, kou en smerig eten voor lief! Haha, jongen. We hebben het hartstikke goed hier! Proost! Proost!