De schrik van de snelweg
Als meisje kreeg ik barbies en make-up. Ik moest op ponyclub. Jaloers zag ik mijn broers met auto's spelen. Ik wist nooit wat ik later worden wou. Kapster, zuster, schooljuffrouw. Nou nee. Ik zou me vreselijk vervelen. Toen rook ik bij een tankstation die dieselgeur. En ineens wist ik het zeker. Ik word vrachtwagenchauffeur. Wij zijn de schrik van de snelweg. De vrees van de A2. Het maakt niet uit hoe vies of zwaar, we nemen alles mee. En als het hoog in mijn cabine stinkt naar zweet en naar benzine, klopt het hartje van mijn truck. Dat is geluk. Ik kijk neer op alle auto's als ik ‘s ochtends vroeg vertrek. Tussen blotemannenfoto's, rook ik hele zware shag. Toeren en sturen naar een truckersrestaurant waar ze alles zo frituren dat je maagzuur lekker brandt. We kleien op de plee daarna een drol van dertig ton met spetters van de vloer tot het plafond. Jaja, wij zijn de schrik van de snelweg. De vrees van de A4. Plankgas rijden van Marseille via Keulen terug naar hier. Vieze moppen, countryliedjes, geen bestelbus, da’s voor mietjes, maar een meterslange truck, dat is geluk. Wij zijn de schrik van de snelweg. De vrees van de A10. We hebben al het asfalt van Europa al gezien. Als mijn boer naar kipcorn walmt en door de Gotthardtunnel galmt uit het raampje van m’n truck: dat is geluk. Alleen als ik naar huis bel en mijn man mijn kinderen hoor moet ik drie minuten janken. En dan ga ik weer door.