Clipphanger

De mensen die heel vroeger in onze streken woonden, hadden nog geen achternaam. En die hadden ze ook niet nodig. Want in die kleine dorpjes was meestal maar 1 Reinhard of Rudolf. Maar kleine dorpjes worden groot, en in een beetje middeleeuwse stad liepen wel 100 Jannen rond. Om toch over een specifieke Jan te kunnen roddelen, kwamen er bijnamen in zwang. Als de vader van Jan toevallig ook Jan heette, werd de kleine Jan bijvoorbeeld Jan Janszoon genoemd: Jan Jansen. En als onze Jan een smederijtje had, stond hij misschien als Jan Smit bekend. Of als Jan de Wilde, als-ie altijd heel raar ging doen met een paar biertjes op. Of als Jan de Vlaming als hij een zachte g en een puntzak had. In 1811, onder Napoleon, werd het verplicht om alle geboortes en huwelijken te laten registreren bij de burgerlijke stand. En toen werden al die bijnamen opeens echte familienamen en ook nog eens erfelijk. Dus als jij Ilse de Lange heet, kan je er vanuit gaan dat 1 van je voorouders vrij lang was - voor zijn tijd. Onze collectie achternamen is dus zo’n 2 eeuwen oud. En daarom hebben we dus wel een voetbaltrainer die Frank de Boer heet, maar geen boer die Frank de Voetbaltrainer heet. Bedankt, Napoleon!