Nummer 2 Eng Schrijfwedstrijd - Poppenkast

De nummer 2 van de Eng Schrijfwedstrijd: Poppenkast! Cato kijkt elke dag naar het mysterieuze huis aan de overkant. Totdat ze na middernacht ineens allemaal vreemde dingen ziet.. Ze besluit op onderzoek uit te gaan, met alle gevolgen van dien..

Dit verhaal is geschreven door de vriendinnen Saar en Mila en is verkozen tot de nummer 2 van de Eng Schrijfwedstrijd.

Donderdagavond. Cato zat aan haar huiswerk en keek naar buiten, daar zag ze het altijd verlaten huis. Het was mysterieus, oud en eng. Het huis was al jaren verlaten. Ze mocht er nooit naar toe van haar moeder. Ze ging verder met haar huiswerk totdat ze buiten gelach hoorde. De vrolijke stem van haar moeder en een onbekende man. Wie zal het nu weer zijn? De deur ging open. Haar moeder kwam gierend van het lachen binnen gevolgd door een grote en sterk uitziende man. De man gaf Cato een hand en vertelde dat hij Daniel heette. Cato rook de sterke dranklucht wat bevestigde dat ze dronken waren. Haar moeder wankelde naar de keuken en haalde een fles sterke drank uit de kast. De man pakte glazen en even later zaten ze samen drinkend op de bank naar een film te kijken.

Cato dacht dat ze haar vergeten waren en sloop stilletjes naar haar kamer. Eenmaal in haar kamer aangekomen pakte ze haar notitieboekje en schreef de zoveelste vriend van haar moeder op: Daniel. Ze maakte zich klaar voor de nacht en kroop haar bed in. Het was stil in huis… Of toch niet? Midden in de nacht werd Cato wakker van gerommel. Ze besloot op onderzoek uit te gaan en stapte uit haar bed. Wat was er aan de hand? Het geluid kwam van buiten… Ze trok met een ruk haar gordijnen open en zag tot haar verbazing dat er een lichtje in het verlaten huis brandde. Het was precies drie uur in de nacht. Wat was daar aan de hand? Had Daniel er misschien iets mee te maken? Ze zal het morgen na school wel uitzoeken. Ze was doodop en kroop terug haar bed in.

 Vrijdagochtend. Ze werd wakker en zette haar wekker precies op de zelfde tijd als dat het lichtje ’s avonds laat brandde. Ze kleedde zich snel aan en liep naar beneden. Ze smeerde haar boterhammen voor school en pakte haar fiets. Snel fietste ze naar school. Eenmaal aangekomen op school was de bel al gegaan. Snel rende ze naar binnen om nog een te laat briefje te halen. De dag verliep snel en viel best mee. Thuis aangekomen maakte ze haar huiswerk en ging naar hockey. Ze at iets en ging naar bed. Ze keek nog een keer naar de wekker en kroop haar bed in. Een paar uur later ging de wekker, ze had die eigenlijk niet hoeven te zetten, omdat ze toch de hele tijd niet had kunnen slapen van de spanning. Ze ging haar bed uit en keek door het raam. Ja, hoor! Het licht brandde weer.

Ze bleef kijken, hoorde een ijzige gil en keek degene aan de overkant recht in de ogen aan. De man of vrouw trok vliegensvlug de gordijnen dicht. Die nacht kon Cato niet meer slapen. Vragen vlogen rond door haar hoofd. Was het een man of een vrouw? Wat gebeurde daar? Elke keer op dezelfde tijd? Ze zou vandaag gaan kijken. Nu meteen! Even later stond ze op de stoep in de vrieskou. Langzaam liep ze naar de overkant. De deur stond op een klein kiertje, ze twijfelde enorm. Zou ze naar binnen gaan? Alleen maar even kijken… Ze besloot toch nog even te wachten, misschien was het allemaal wel toeval. Als het lampje avonds weer aan ging zou ze kijken. Snel rende ze terug naar haar huis en ging weer in bed liggen.

03:00

Ze werd wakker van de wekker en trok de gordijnen open. Daar aan de overkant brandde het lichtje weer. Een kreet galmde de straat door. Cato vond het een wonder dat zij als enige wakker was. Dit kon niemand toch ontgaan? Dit was geen toeval meer, ze zou vandaag gaan kijken. Ze vertrok meteen. Stilletjes trippelde ze de trap af, haar moeder mocht natuurlijk niet wakker worden. De deur kraakte een beetje, dus rende ze zo snel mogelijk naar buiten. Ze keek nog een keer achterom en besefte met een schok dat de deur was dichtgevallen. Wat moest ze nu doen? Had haar moeder het gehoord? Of Daniel? Hoe kwam ze trouwens weer binnen? O, ja! de sleutel onder de bloempot. Dit was haar redding! Maar nu focus op iets anders: het huis binnenkomen. Zou de deur weer op een kiertje staan? Ze keek. Nee, de deur staat niet op een kiertje maar wagenwijd open. Waarom? Het was midden in de nacht. Ze stapte naar binnen. Het rook erg muf. Afgebrokkelde muren, ze kon zo in alle kamers kijken. Langzaam liep ze de keuken in. Cato hoorde een kreet, deze kwam overduidelijk van boven. Met een schrok verstopte ze zich achter de bank. Wat was er allemaal gebeurd daar boven? Nu werd ze nieuwsgierig. Langzaam sloop ze op de krakende trap op. Ze keek om het hoekje, alle deuren waren open behalve een, daar brandde een lichtje. Ze hoorde kleine kinderen huilen en een mannenstem die zachtjes zong. Langzaam liep ze de gang door. Er was hier iets goed mis…

Ze pakte alvast haar smartphone om de politie te kunnen bellen. Zware voetstappen kwamen haar kant op. Ze hoorde weer een mannen stem die tegen de kinderen zei: ‘Ik zie jullie morgen weer schatjes.’ Ze hoorde niks als antwoord van de huilende kinderen. Shit! Misschien was die man gewoon een zwerver met arme kinderen en gebruikte hij dit huis als onderkomen. Cato hoorde de deurklink naar beneden gaan. De man kwam! Snel rende ze naar de badkamer. Ze kroop het douchehokje in en beefde van angst. De trap maakte piepende geluidjes, de man was weg… De deur klapte dicht. Ze keek door het raam en zag hem weglopen. Ze liep naar de kamer van de huilende kinderen. Ze stapte de deur door. Daar lagen de kinderen, nou ja kinderen, het leken wel poppen! Ze keken haar allemaal verbaasd aan en vroegen of zij het volgende slachtoffer was. Ze wilde antwoorden maar werd onderbroken door kindergehuil. Deze keer kwam het van de straat. Ze keek door het raam en zag de man over straat lopen met een spartelend kind onder zijn arm. Snel rende ze weer naar de badkamer, voor ze weg ging zei ze tegen de kinderen dat ze hun zou helpen. Toen ze zag dat de man met het kind een andere kamer inging rende ze snel weg. Naar haar eigen huis en eigen bed.

Eenmaal aangekomen zocht ze het sleuteltje onder de bloempot, maar het sleuteltje lag  er niet meer. Wat moest ze nu doen? Ze keek om zich heen en zag de voordeur langzaam open gaan. Daar stond Daniel met het sleuteltje al zwaaiend in zijn hand. Hij zei: ‘Zo meisje, wat doe jij zo laat buiten?’ Cato mompelde dat ze de vuilnisbakken buiten wilde zetten en probeerde langs hem heen te glippen, maar dat lukte niet. Zou ze het gewoon aan Daniel vertellen? Misschien kon hij haar helpen. Ze kon eigenlijk niks anders dus besloot ze het gewoon te doen. Ze vertelde alles, alles wat er de laatste tijd was gebeurd. Daniel knikte begrijpend en ze vond het fijn om het te vertellen. Toen ze klaar was zei Daniel dat ze er meteen iets aan moesten doen. Langzaam liepen ze achter elkaar naar het huis aan de overkant. Daniel liep voorop en werd gevolgd door Cato. De deur stond nog steeds openen ze waren snel binnen. Wat is het hier stil, dacht Cato. Langzaam liepen ze de krakende trap op.  Eenmaal boven hoorden ze luid en duidelijk kindergehuil. Ze opende de deur en keken naar binnen. Daar lagen ze, de kinderen die enorm op poppen leken.

De kinderen keken verschrikt op toen Cato en Daniel naar binnen kwamen. Daniel fluisterde dat de kinderen stil moesten zijn en liep verder de kamer in. Cato vroeg aan de kinderen waarom ze niet al lang waren ontsnapt, de deur stond immers wagenwijd open. Een van de kinderen liet de touwen om de polsen en enkels zien. Daniel pakte een mes dat op de grond lag en sneed de touwen door. Toen alle kinderen bevrijd waren trokken ze hun poppenkleren uit. Een jongetje vertelde dat de man (waarvan ze de naam niet wisten) vroeger twee kinderen en een vrouw heeft gehad. Die kinderen en de vrouw zijn lang geleden verongelukt in een autobotsing. Sinds toen is de man kinderen gaan ontvoeren… De kinderen moesten poppenkleren aan omdat zijn eigen kinderen vroeger heel erg vaak met die soort poppen speelden. Cato zuchtte diep, straks kwam die engerd weer thuis. Ze moest er niet aan denken!

Daniel zei dat hij de man zou helpen door een psychiater voor hem te regelen. Hij vertelde dat die man geestelijk ziek was. Cato moest naar bed en Daniel zou de kinderen verder helpen. Toen ze weer in haar eigen kamertje was keek ze nog een keer door het raam. Daar zag ze Daniel met een grote groep kinderen de straat door wandelen. Hij bracht ze naar huis en zou hun ouders inlichten. Cato ging blij en opgelucht haar bed in.