Nummer 1 Eng Schrijfwedstrijd - Schoolkamp

De absolute nummer één van de Eng online schrijfwedstrijd: Schoolkamp! Over drie vrienden die een bizarre nacht beleven in een bos tijdens hun schoolkamp....

Dit verhaal is geschreven door de 12-jarige Floor-Anne van der Kroonenburg en is verfilmd. Kijk de film ook hier op zapp.nl/eng, vanaf zondag 6 november, 18:25 uur.

 

 We gingen kamperen. Met de hele klas. Juliette en ik fietsen voorop. Sahid vlak achter ons aan. We sliepen met z’n drieën in een tent en we hadden zin in avontuur. We zouden er zelf iets van moeten maken, van dit kampeerweekend. Dat hadden we ons voorgenomen want de leraren die mee zouden gaan waren saai en streng en wisten zeker niet wat avontuur was.

De camping lag aan de rand van een bos. Een groot dicht bos. Je kon er nauwelijks in kijken, zo donker was het. We hadden onze tent dicht tegen die rand gezet en zo ver mogelijk weg van de leraren en de moeders die voor onze veiligheid ook meewilden.

 De eerste avond maakten we een kampvuur. Dat vonden we wel leuk. We zaten toen nog tussen de anderen en we deden gewoon mee. Marshmallows roosteren. Later op de avond kwamen de eerste spookverhalen. Niks engs aan, totdat Sahid begon. Sahid kon goed vertellen. Sommigen kinderen werden gelijk al bang. Er was er zelfs een die bijna huilde. Misschien leek dat maar zo, we kregen de kans niet om het te zien want een van die moeders was er al op af gesprongen. Met warme melk waarschijnlijk. Een enkeling wilde gaan slapen. Wij niet, voor ons moest alles nog beginnen.

 Toen de helft van de kinderen al in hun tent lag en de moeders ons telkens probeerden aan te sporen ook te gaan slapen door in hun handen te klappen en ‘kom op kinderen, tanden poetsen en pyjama's aan,’ te roepen kwam de eigenaar van de camping plotseling bij ons zitten. Zijn honden volgden hem op de voet.

Zijn stem was donker en hij sprak langzaam. Hij vertelde over zijn camping, de geschiedenis van de streek, het bos, en vreemd genoeg was het heel spannend wat hij zei. Hij sprak steeds zachter, keek ons daarbij allemaal indringend aan. Op een gegeven moment ging hij staan en liep hij telkens om het vuur heen, hij kreeg daardoor gekke schaduwen in zijn gezicht, en die schaduwen vielen ook op ons. Wij zwegen en wij luisteren.

‘In het midden van dit bos,’ zei hij, ‘een paar kilometer hier vandaan, staat een molen. Een oude watermolen met een immens groot schoepenrad. De rivier waaraan de molen staat komt tot hier, tot deze camping, wij liggen ook aan die rivier. Maar hier is hij droog. Het water komt niet zo ver. Maar daar… daar stroomt hij, daar schuimt en kolkt hij, hij trekt aan je en als je erin valt verdrink je. Tenminste, dat wordt er beweerd. Het water is er zwart als de nacht.’

Zwart als de nacht, zoals hij dat uitsprak, de meisjes bibberden ervan, ik niet, die andere meisjes, ze kropen toen al tegen elkaar aan. ‘En als je je handen erin steekt,’ ging hij door, ‘komen ze er zwart als inkt weer uit en je krijgt ze nooit meer schoon.’ Alle kinderen zaten bewegingloos rond het vuur. Er was niks te horen behalve het knapperen van het hout en zijn verhaal. ‘Vroeger woonde er een vreemde molenaar. Hij had twee honden. Twee grote honden die op wolven leken met gele ogen die de hele buurt terroriseerden.’ De moeders wilden ingrijpen, opstaan, ons naar bed  sturen maar ze kregen de kans niet.

‘Die molenaar is al lang dood, zeggen ze, maar niemand durft het bos is. Nog steeds niet. Er is al in geen tientallen jaren een mens geweest. En wie er wel in gaat komt niet meer terug. Zeggen ze. Ik weet het niet. Ik kom er niet. Maar dat er iets is, daar, dat er iets leeft, dat kan ik jullie met zekerheid wel vertellen, wie of wat het ook is. Ik heb er bewijzen genoeg voor.’ Toen zweeg hij, in gedachten verzonken. Er waren geen sterren. Er trok een wolk voor de maan. En de hemel was zo zwart als inkt.

 De moeders vonden het zo wel welletjes en klapten in hun handen. ‘Pyjama’s aan, tanden poetsen, kom op kinderen, het is laat.’ Vooral mevrouw Hendrikx bleef klappen, driftig en fel. ‘Kom kom, wat moeten jullie ouders wel niet denken.’
Allemaal stonden ze op. Allemaal pakten ze hun toilettas, hun wc-rol… Wij niet, wij keken elkaar aan en kropen zo in onze tent. Maar onze pyjama’s deden we niet aan. We hoefden het niet eens af te spreken. Juliette, Sahid en ik hadden elkaar al begrepen en lagen met onze ogen open naar het doek van onze tent te staren. Net zo lang tot de hele kamping doodstil was. Toen stonden we zachtjes op, alle drie, openden zo geruisloos mogelijk de rits van onze tent en slopen naar buiten.

Het was opeens koud. Toen we rechtop stonden rilden we een beetje. We spraken niet, we zeiden niks, we trokken onze jas dicht en liepen het terrein af. Sahid voorop. Voorzichtig stapte hij om de scheerlijnen heen. Wij deden hem na. We wilden niemand wakker maken. En voor we het bos inliepen keken we nog eenmaal om naar onze klasgenoten die lekker lagen te dromen in hun tentjes. Morgen bij het kampvuur zouden wij het mooiste verhaal hebben.

 

We liepen zeker een half uur zonder een woord te zeggen.

‘Wat is het hier stil,’ zei ik toen.

‘Niet als jij praat,’ antwoordde Juliette.

Sahid bepaalde de weg, hij was de enige die zijn smartphone bij zich had, zo konden we in elk geval niet verdwalen en hadden we een zaklamp, maar die gebruikte hij niet. Soms liepen we even over een pad, dan weer onder takken door en dicht langs struiken. Volgens mij deed hij maar wat, hij keek nauwelijks op zijn telefoon. Het was ontzettend donker. De maan kreeg in dit bos geen enkele kans. Het was zelfs zo donker dat we schimmen begonnen te zien.

Juliette was de eerste die terug wilde. Maar wij lieten ons niet ompraten. We liepen gewoon door. En zij ging mee. Wat moest ze anders? We spraken af te gaan zingen om elkaar niet kwijt te raken. Maar al snel wilden we niet meer zingen, het lukte ons niet. We gingen tellen. Hardop. Tot honderd. Tot duizend. Tot weet ik tot hoeveel en opeens botste ik tegen Juliette op. Ze stond stil en greep me bij mijn arm. We hoorden Sahid hard wegrennen, daarna zagen of hoorden we niks meer.

We wisten niet wat we moesten doen, mijn mond viel open, ook Juliette zweeg. We wachtten, begonnen weer te tellen. Van de zenuwen waarschijnlijk, om onze eigen stem te kunnen horen. En opeens stond hij weer voor ons, godzijdank. We hadden hem niet aan horen komen.

‘Waar was je?’ vroegen we.

Zijn ogen waren verwilderd. Toen werd ik bang.

‘Laten we teruggaan,’ was het enige dat ik wist uit te brengen.

‘Sahid,’ riep Juliette en schudde hem aan zijn schouder. ‘Sahid waar was je, wat is er?’ Ze gilde bijna.

‘De molen,’ fluisterde hij. ‘Ik heb de molen gezien.’ Ik durfde nauwelijks te kijken en ook Juliette had zich al omgedraaid. Terug, dacht ik, terug, terug, maar ik zei, ‘dan kunnen we nu gaan, we hebben een mooi verhaal.’ Sahid boog zich naar ons toe, ‘het schoepenrad,’ fluisterde hij, zijn stem was schor, ’hebben jullie de rivier niet gehoord?’ Juliette en ik keken elkaar aan. Het was doodstil. Pikdonker en doodstil.

‘Nee, ik hoor niks, ik heb niks gehoord.’

Sahid ademde zwaar. ‘Hoe kan dat,’ fluisterde hij, ‘precies op het moment dat ik de molen zag, oud, verlaten, overwoekerd, zette het rad zich in beweging, zomaar.’ Hij keek ons even aan, ‘je kunt je niet voorstellen met wat voor een kracht het water rondspoot, gitzwarte inkt. Het draaide, het kolkte, het schuimde… Ik duizelde, duizelde…’ Toen zei hij even niks, daarna kwam er nog, ‘mijn telefoon… telefoon viel in het water, erin gezogen, verdronken… Even leek het of hij om zou vallen maar we hielden hem stevig vast en hij bleef op de been. 'We gaan nu terug,’ zei ik, ‘ik vind het wel goed zo.’

‘Ja,’ zie Juliette, ‘ik ook,’ en net toen ze zich om wilde draaien bleef ze verstijfd staan. Ze zag iets. Haar ogen stonden strak op iets gericht. Ik schudde aan haar. ‘Juliette, kom nou!’ ‘Er staat daar iemand,’ zei ze. ‘Hij kijkt naar ons.’

 In het duister spelen de schaduwen een gevaarlijk spel. Ik wist niet wat er gebeurde, wie daar stond en naar ons keek, wie er als eerste gilde, wie het als eerste op een lopen zette. Er rende iets in volle vaart op ons af, door de struiken heen, door de bladeren, het sprong, het hijgde. Het joeg. ‘De honden,’ riep ik, ‘de honden.’

Rennen! Waar waren de anderen? Waar was de camping? Ik rende. Ik dacht niet meer. Ik zag niets, ik hoorde niets… ik rende, rende en ik wist dat het handengeklap vlakbij moest zijn. Ritmisch en veilig. Daar hield ik me aan vast, het moest vlakbij zijn. Het moest! Ik rende, struikelde, zwikte, takken sloegen in mijn gezicht…

‘Mevrouw Hendrikx,’ gilde ik, ‘mevrouw Hendrikx........'